Naar de inhoud gaan

Veiligheid, kwaliteit & plezier op het water.

Instructeur 4 (I4)

Opleider van instructeurs

I4

Instructeur 4

Opleider van instructeurs

Een Instructeur 4 geeft les/training in de eigenvaardigheid van Instructeurs 3 in opleiding en is bevoegd om deze middels een examen te toetsen. Dit niveau vormt de brug tussen het lesgeven aan cursisten en het opleiden van andere instructeurs.

Instapeisen

  • Minimumleeftijd van 18 jaar
  • In het bezit zijn van Instructeur 3 in de desbetreffende discipline
  • In het bezit zijn van Klein Vaarbewijs I (KVB-I)

Eigenvaardigheid

NWD C in de desbetreffende discipline.

Proeven van Bekwaamheid (PvB)

  • 4.1

    Geven van trainingen

    Praktijk- en Portfoliobeoordeling

  • 4.8

    Afnemen van vaardigheidstoetsen

    Praktijkbeoordeling

Bevoegdheden

  • Training geven aan Instructeur 3 in opleiding in de eigenvaardigheid
  • Examineren van NWD-B

Competentieprofiel

De kerntaken, werkprocessen en beoordelingscriteria hieronder komen direct uit het officiële KSS-kwalificatieprofiel. Klik een werkproces aan om de beoordelingscriteria te bekijken.

Kwalificatieprofiel Instructeur 4

2 kerntaaken · 12 werkprocessen · 77 beoordelingscriteria

PvB 4.1 - Geven van lessen

6 werkprocessen · 40 criteria

Portfoliobeoordeling

Schriftelijk bewijs, vooraf ingediend en beoordeeld.

4 werkprocessen · 23 criteria

Praktijkbeoordeling

Live observatie tijdens een les of activiteit.

5 werkprocessen · 35 criteria

Werkproces 4.1.1 Begeleidt specifieke (groepen) cursisten

Resultaat
De cursisten worden geïnformeerd en betrokken, de begeleiding sluit aan bij de cursisten, de cursisten worden positief gestimuleerd en gemotiveerd. De les verloopt veilig.

PortfolioPraktijk9 beoordelingscriteria
  1. 1

    Motiveert, enthousiasmeert en stimuleert cursisten.

    Stelt zich stimulerend, positief en open op tegenover individu en groep. Houdt goed contact met alle cursisten, zowel individueel als groepsgewijs om zo de les aantrekkelijk te houden of maken voor iedereen.

  2. 2

    Stemt communicatie af op de ontwikkeling en het niveau van de cursisten.

    Past taalgebruik en omgangsvorm aan aan niveau, leeftijd en belevingswereld van de cursisten.

  3. 3

    Houdt rekening met persoonlijke ambities en motieven van de sporters.

    Houdt rekening met het niveau van de cursisten en eventuele (individuele) bijzonderheden, wensen en/of beweegredenen.

  4. 4

    Adviseert sporters over materiaal (keuze en gebruik).

    Kan adviseren over aanschaf en onderhoud van een boot/board en de verschillende beschikbare materialen. Geeft hierbij een overzicht van de verschillende mogelijkheden. Geeft aan wat de invloed van (weers-)omstandigheden zijn op het materiaal en hoe hiermee omgegaan dient te worden.

  5. 5

    Informeert en adviseert cursisten over voeding en hygiëne.

    Geeft basisvoorlichting over eten en drinken en gebruikelijke hygiënische maatregelen rondom het sporten.

  6. 6

    Leert sporters te reflecteren op zichzelf.

    Begeleidt de cursisten met het oog op hun toekomstige ontwikkeling in de watersport en het daarbij noodzakelijke zelf reflecterend vermogen.

  7. 7

    Besteedt aandacht aan het voorkomen van overbelasting en herstellen van blessures.

    Maakt de cursist bewust van de risico’s die kunnen ontstaan tijdens de sportbeoefening. Wijst de cursisten op een correcte instelling/trim en zorgt voor een correcte technische uitvoering in relatie tot de belastbaarheid van het bewegingsapparaat om blessures te voorkomen.

  8. 8

    Grijpt in indien het materiaal niet in orde is en/of de veiligheid in het geding is.

    Houdt de veiligheid van alle betrokkenen bij de training in de gaten en grijpt voortijdig in. Indien van toepassing: kiest steeds met de volgboot de meest optimale plaats, manoeuvreert op juiste wijze en op een veilige manier met de volgboot. Neemt adequate maatregelen en/of schakelt hulp in geval van een noodsituatie/ongeluk.

  9. 9

    Bewaakt waarden en stelt normen.

    Hanteert de afgesproken regels in de les en houd zich aan de afgesproken gevolgen. Grijpt in als een cursist zich niet aan de afspraken houdt, het verloop van de activiteit frustreert of bij (beginnend) ongewenst gedrag. Hanteert daarbij de geldende gedragscodes in de sport. Zorgt voor een goede sfeer binnen de groep cursisten.

Werkproces 4.1.2 Stelt plannen op voor de langere en korte termijn

Resultaat
Een jaarplan dat is afgestemd op de sporters. Een reeks samenhangende lessen (cyclus) die past binnen hetjaarplan. Een lesplanning die past binnen een cyclus.

Portfolio5 beoordelingscriteria
  1. 1

    Werkt een jaarplan uit dat gebaseerd is op analyses, doelen en evaluaties.

    Maakt een programma dat goed leesbaar is en waar nodig met schema’s onderbouwd. Rol en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen moeten duidelijk omschreven zijn. Het programma bevat ten minste een tijdspad, leerdoelen, benodigde randvoorwaarden en middelen.

  2. 2

    Werkt passend binnen het geperiodiseerde jaarplan een reeks (cyclus) van lessen uit.

    In de analyse moeten de volgende zaken duidelijk omschreven zijn: lesperiode, vaarwater, accommodatie, eventueel beschikbare boten/boards, boeiensets en hulpmiddelen, lesgroep (leeftijd, niveau). Het proces van lesgeven en de rol, taken, acties en resultaten van het handelen van de kandidaat moeten duidelijk zijn.

  3. 3

    Formuleert concrete doelstellingen voor de cursisten.

    Beschrijft SMART geformuleerd het beoogde eindresultaat, -niveau of -doel van lescyclus.

  4. 4

    Stemt zwaarte en opbouw af op de individuele cursist.

    Hier moet duidelijk worden omschreven wat het vastgestelde beginniveau, de leerstijl en de behoeften van de individuele deelnemers zijn en hoe het lesplan daarop gebaseerd is.

  5. 5

    Bouwt het programma methodisch/didactisch (chrono)logisch op.

    Beschreven zijn ten minste welke concrete leerdoelen en bijbehorende (globale) oefenstof aan de orde zouden komen. Structuur en opbouw moeten methodisch/didactisch een zodanige logische volgorde hebben dat deze optimaal bijdragen aan het beoogde leerresultaat.

Werkproces 4.1.3 Plant en voert lessen uit

Resultaat
De lessen zijn gericht op het ambitie- en prestatieniveau van de cursisten. De lessen leiden tot verdere ontwikkeling en prestatieverbetering. De lessen zijn veilig.

Praktijk12 beoordelingscriteria
  1. 1

    Werkt passend binnen een reeks (cyclus) een lesplanning uit.

    Maakt bij de voorbereiding gebruik van eerdere evaluaties. Dit kan op basis van eigen waarneming en analyse, op aangeven van de instructeur of andere instructeurs. De uitgewerkte lessen passen binnen het opgestelde langetermijnprogramma en dragen bij aan het beoogde doel.

  2. 2

    Formuleert concrete doelstellingen voor de cursisten en past deze waar nodig aan.

    Houdt de totaliteit van de voorbespreking helder, logisch, gestructureerd en overzichtelijk. Formuleert een duidelijke, concrete, afgebakende en meetbare doelstelling. Draagt hiermee bij aan een optimaal leerrendement. Maakt efficiënt gebruik van een lesvoorbereiding en de daarin geformuleerde leerdoelen, bewaakt dat de doelen aansluiten bij de situatie en de cursist.

  3. 3

    Informeert en betrekt cursisten bij het verloop van de les.

    Maakt afspraken met cursisten over bijvoorbeeld eindtijden en pauzes. Geeft aan wat er van de cursisten verwacht wordt tijdens de les. Legt de cursisten het trainingsplan uit en welke leerdoelen worden nagestreefd, geeft aan wanneer er van afgeweken wordt en vraagt feedback aan de cursisten hoe de training ervaren wordt en past de training zo nodig aan.

  4. 4

    Houdt tijdens de les rekening met de omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de les.

    Maakt een lesplan dat realistisch is waar het gaat om de beschikbaarheid van de cursisten, materiaal, trainers,accommodatie, de belastbaarheid van de cursisten en overige omstandigheden. Voor het lesplan dient het noodzakelijke draagvlak bij de betrokkenen aanwezig te zijn.

  5. 5

    Kiest voor een lesopbouw die maximaal bijdraagt aan het realiseren van het lesdoel.

    Structuur en opbouw moeten methodisch/didactisch een zodanige logische volgorde hebben dat deze optimaal bijdragen aan het beoogde leerresultaat.

  6. 6

    Kiest werkvormen die bijdragen aan het realiseren van doelstellingen voor de cursisten.

    Kiest een zodanige werkvorm dat deze maximaal bijdraagt aan het realiseren van het leerdoel. Rekening houdende met alle externe en interne factoren.

  7. 7

    Maakt optimaal gebruik van lesfaciliteiten.

    Zorgt dat organisatie maximaal bijdraagt aan het behalen van de leerdoelen. Draagt zorg voor een duidelijke envloeiende organisatie op het water. Heeft zodoende de handen vrij voor analyses en feedback. Verdeelt de beschikbare tijd juist over de verschillende oefeningen en cursisten. Maakt optimaal gebruik van de lesfaciliteiten.

  8. 8

    Past tijdens de les de belasting aan op de (individuele) sporters.

    Houdt duidelijk rekening met het vastgestelde beginniveau, de leerstijl en de behoeften van de individuele deelnemers en hoe het lesplan daarop gebaseerd is.

  9. 9

    Doet oefeningen op correcte wijze voor of gebruikt een goed voorbeeld.

    Legt kort, duidelijk, inhoudelijk juist en op het juiste niveau de te oefenen techniek en de oefeningen uit. Tekent duidelijk, netjes, in goede verhouding, vanuit het juiste perspectief en aangepast aan het niveau.

  10. 10

    Geeft feedback en aanwijzingen aan de sporters op basis van een analyse van de uitvoering en van invloed zijnde factoren.

    Geeft juiste aanwijzingen op het goede moment, op de goede plaats en op de juiste wijze. Geeft in de nabespreking de juiste aanwijzingen die gelden voor de gehele groep en geeft iedere cursist aanwijzingen en complimenten.

  11. 11

    Verbetert de prestatie van de sporters.

    Merkt de juiste oorzaak van fouten op en werkt deze weg door middel van het geven van de juiste aanwijzingen op het goede moment, op de goede plaats en op de juiste wijze.

  12. 12

    Communicatie is duidelijk en heeft voldoende (theoretische) diepgang.

    Spreekt duidelijk en verstaanbaar in een tempo dat aansluit bij het niveau van de groep. Houdt goed contact met de cursisten op het water. Voorziet uitleg en feedback van voldoende (theoretische) diepgang en draagt zodoende bij aan een optimaal leerrendement.

Werkproces 4.1.4 Evalueert planning en uitvoering lessen

Resultaat
De uitvoering van het jaarplan en de lessen is geregistreerd, geëvalueerd en bijgesteld.

PortfolioPraktijk4 beoordelingscriteria
  1. 1

    Registreert en evalueert de uitvoering van het jaarplan.

    Geeft duidelijk aan op welke momenten en op welke wijze het al of niet (geheel) halen van de doelstelling aan de orde is gekomen, en hoe conclusies hieruit worden getrokken ter verbetering van het langetermijnprogramma.

  2. 2

    Evalueert continu het proces en (tussen)resultaat van de les en stelt zonodig bij.

    Is in staat de les te analyseren en zodoende gedurende de les te evalueren en te verbeteren. Kan hierbij kiezen voor een andere methode om doelen toch te halen.

  3. 3

    Registreert en evalueert de uitvoering van de reeks (cyclus) van lessen.

    Houdt de behandelde lesonderwerpen nauwgezet bij en controleert of deze nog steeds passen binnen het opgestelde langetermijnprogramma en bijdragen aan het beoogde doel.

  4. 4

    Analyseert prestaties en ontwikkeling van de sporters.

    Controleert hoe ver de cursisten werkelijk zijn en bepaalt welke les doelstellingen behaald zijn en welke nog niet. Formuleert op basis van analyse een advies. Hierbij wordt aandacht besteed aan de inhoud en vorm. Daarbij wordt rekening gehouden of de oefenstof op het juiste niveau wordt aangeboden. Brengt indien nodig niveauverschillen in de oefenstof en oefeningen aan.

Houding en gedrag

Resultaat
Waarden en normen worden gerespecteerd en er wordt sportief en respectvol gedrag vertoond.

Praktijk5 beoordelingscriteria
  1. 1

    Gaat correct om met alle betrokken.

    Gebruikt omgangsvormen en gedrag standaarden die passen bij de betrokkenen. Behandelt iedereen gelijk en trekt niemand voor. Zorgt voor eenheid binnen de groep cursisten.

  2. 2

    Komt afspraken na.

    Maakt reële afspraken en komt deze na.

  3. 3

    Houdt zich aan de beroepscode voor functionarissen in de sport.

    Kent de gedragscode voor trainers/coaches en begeleiders van Centrum Veilige Sport Nederland, houdt zich daaraan en creëert voor de cursisten een zo veilig mogelijke omgeving waar iedereen zichzelf mag zijn, op zijn of haar eigen niveau.

  4. 4

    Staat model voor correct gedrag op en rond sport- en/of opleidingslocatie.

    Is zich ervan bewust vertegenwoordiger te zijn van opleidingslocatie en de georganiseerde sport en levert de daarbij behorende kwaliteit. Is zich tevens bewust van de voorbeeldfunctie en gedraagt zich daar naar. Draagt de sport op positieve wijze uit.

  5. 5

    Gaat vertrouwelijk om met persoonlijke informatie.

    Is zich bewust van zijn vertrouwenspositie. Verstrekt persoonlijke informatie van cursisten alleen met toestemming aan derden.

Zelfreflectie en -ontwikkeling

Resultaat
De zelfreflectie leidt tot inzicht in de eigen bekwaamheden en ontwikkelpunten bij het bevorderen van competentieontwikkeling sportkader.

PortfolioPraktijk5 beoordelingscriteria
  1. 1

    Reflecteert op het eigen handelen.

    Is kritisch en reflecterend ten aanzien van eigen handelen en omschrijft de eigen bekwaamheden en ontwikkelpunten. Stelt zo nodig een plan op ter verbetering en is zodoende in staat aan te geven waar progressie kan worden behaald.

  2. 2

    Vraagt feedback.

    Vraagt van cursisten, begeleiders, collegae, etc. feedback op het eigen handelen.

  3. 3

    Bepaalt en verwoordt eigen leerbehoeften.

    Omschrijft uit eigen reflectie en feedback leerdoelen voor zichzelf en past deze toe in een persoonlijk ontwikkelingsplan. Geeft aan waar het meeste te leren is en hoe hier best invulling aan geven kan worden.

  4. 4

    Zoekt leersituaties op en legt leermomenten vast.

    Is actief in het zoeken naar nieuwe leerdoelen die kunnen bijdragen bij het beter functioneren binnen de opleidingslocatie. Beschrijft de leerdoelen, de leermomenten en reflecteert hierop.

  5. 5

    Verwerft kennis en raadpleegt kennisbronnen/ deskundigen.

    Neemt een actieve houding aan bij het verhogen van het eigen kennisniveau. Kiest hiervoor zelf leerdoelen die het functioneren binnen de opleidingslocatie kan ondersteunen. Raadpleegt waar nodig op basis van een eigen leervraag deskundigen die kunnen bijdragen bij het verbeteren van het eigen functioneren.

PvB 4.8 - Afnemen van examens

6 werkprocessen · 37 criteria

Praktijkbeoordeling

Live observatie tijdens een les of activiteit.

6 werkprocessen · 37 criteria

Werkproces 4.8.1 Begeleidt en informeert examenkandidaten

Resultaat
De begeleiding doet recht aan de sportieve mogelijkheden en ambities van de examenkandidaten. Het examen verloopt veilig.

Praktijk5 beoordelingscriteria
  1. 1

    Motiveert, stimuleert en enthousiasmeert examenkandidaten.

    Stelt zich stimulerend, positief en open op tegenover de groep. Houdt goed contact met alle examenkandidaten, zowel individueel als groepsgewijs om zo de examinering aantrekkelijk te houden of maken voor iedereen.

  2. 2

    Legt vooraf de eisen en het verloop van het examen uit.

    Houdt een voorbespreking waarin het aan de examenkandidaten duidelijk wordt wat er van ze verwacht wordt, op welke manier het georganiseerd wordt en aan welke criteria ze moeten voldoen. In het geval er geen afgebakend examenmoment plaatsvindt (en de vorderingen op basis van de oefenperiode afgetekend worden), maakt de instructeur gedurende de oefenperiode helder aan de examenkandidaat waar hij/zij aan moet voldoen voor het betreffende diploma.

  3. 3

    Past de omgangsvormen en taalgebruik aan op de individuele examenkandidaat.

    Biedt de examenkandidaten de mogelijkheid om even op adem te komen en/of vragen te stellen alvorens inhoudelijk op het examen in te gaan. Past taalgebruik aan het niveau, leeftijd en belevingswereld van de examenkandidaten aan.

  4. 4

    Spreekt examenkandidaten aan op (sport)gedrag.

    Hanteert de afgesproken regels tijdens het examen en houd zich aan de afgesproken gevolgen. Grijpt in als een examenkandidaat zich niet aan de afspraken houdt, het verloop van het examen frustreert of zich anderszins ongewenst gedraagt en hanteert daarbij de gangbare normen en waarden. Zorgt voor een goede sfeer binnen de groep examenkandidaten.

  5. 5

    Bewaakt (en ziet toe op) veiligheid en handelt in geval van een noodsituatie.

    Houdt de veiligheid van alle betrokkenen bij de toets in de gaten en grijpt voortijdig in. Indien van toepassing: kiest steeds met de volgboot de meest optimale plaats, manoeuvreert op juiste wijze en op een veilige manier met de volgboot. Neemt adequate maatregelen en/of schakelt hulp in in geval van een noodsituatie/ongeluk.

Werkproces 4.8.2 Bereidt vaardigheidsexamens voor

Resultaat
De afname van het examen is voorbereid.

Praktijk5 beoordelingscriteria
  1. 1

    Is bekend met de procedures.

    Is bekend met de procedures van aan en afmelden van examens, heeft het examen correct aangemeld en kent de gang van zaken tijdens een examen.

  2. 2

    Functioneert zelfstandig en draagt verantwoordelijkheid.

    Is (en wordt) in staat (gesteld) om zelfstandig te kunnen beslissen over alle facetten van het examen. Hij is dus van voor tot eind zelfstandig en verantwoordelijk voor het door hem afgenomen examen.

  3. 3

    Werkt volgens een vooropgesteld toetsplan.

    Kan van te voren mondeling of op papier aangeven uit welke onderdelen het examen, hoeveel tijd er globaal per onderdeel beschikbaar is en wat er concreet van de kandidaten wordt verwacht.

  4. 4

    Houdt rekening met de (on)mogelijkheden van het vaarwater.

    Kan van te voren vertellen waar op het vaarwater verschillende onderdelen gepland staan en maakt daarbij optimaal gebruik van het vaargebied.

  5. 5

    Heeft het voorgesprek voorbereid.

    Kan van te voren mondeling of op papier aangeven wat hij de kandidaten van te voren gaat vertellen over de gang van zaken ten tijde van het examen.

Werkproces 4.8.3 Neemt vaardigheidstoetsen af

Resultaat
De situatie is gereed voor de vaardigheidstoets. De examenkandidaat kan de vaardigheden laten zien. De examenkandidaat is objectief beoordeeld. Het examen verloopt veilig. Werkt passend binnen een reeks (cyclus) een lesplanning uit.

Praktijk14 beoordelingscriteria
  1. 1

    Is onbevooroordeeld tijdens het examen.

    Gaat het examen in bij voorkeur zonder kennis van de (on)volkomenheden van de examenkandidaten waarmee hij vaart of laat zien dat eventueel aanwezige kennis hierover geenszins invloed heeft op het afgenomen examen.

  2. 2

    Maakt doel examens duidelijk.

    Maakt aan de examenkandidaten duidelijk dat het doel van het examen is het testen van hun vaardigheden onder alle omstandigheden met de nadruk op wat ze “wel” kunnen.

  3. 3

    Maakt beoordelingscriteria duidelijk.

    Maakt aan de examenkandidaten van te voren duidelijk dat hij let op uitvoering van de gestelde opdracht, veiligheid en als laatste de zeiltechnische uitvoering.

  4. 4

    Neemt spanning weg bij examenkandidaten.

    Tracht in houding en woordkeus de spanning bij de examenkandidaten weg te nemen en stelt zich toegankelijk en laagdrempelig op.

  5. 5

    Legt opbouw examen duidelijk uit.

    Maakt aan de examenkandidaten duidelijk uit welke onderdelen het examen, hoeveel tijd er globaal per onderdeel beschikbaar is en wat er concreet van de kandidaten wordt verwacht.

  6. 6

    Maakt afspraken en komt deze na.

    Maakt van te voren duidelijke afspraken met de examenkandidaten omtrent de duur van beurten, het aantal kansen en de totale duur van het examen.

  7. 7

    Bouwt de moeilijkheid van het examen goed op.

    Begint met het toetsen van makkelijke vaardigheden, om zo de spanning te breken en voert de moeilijkheid gedurende het examen op. Doel is dat examenkandidaten de kans krijgen om te laten zien wat ze kunnen. De opbouw van het examen is zodanig dat de opdrachten aansluiten bij de situatie en de prestaties van de kandidaten

  8. 8

    Biedt voldoende kansen.

    Geeft de examenkandidaten voldoende de mogelijkheid om te herkansen en ruimt hier tijd voor in.

  9. 9

    Geeft meetbare opdrachten.

    De opdrachten moeten zodanig zijn dat het beoogde doel van de opdracht uitvoerbaar en haalbaar is. Maatstaf is hierin dat de examenkandidaat het redelijkheidshalve moet kunnen halen.

  10. 10

    Geeft ondubbelzinnige opdrachten.

    Geeft opdrachten die maar voor één interpretatie vatbaar zijn, controleert dit en corrigeert zichzelf waar nodig.

  11. 11

    Zorgt voor een gevarieerd examen.

    Brengt variatie aan in zijn opdrachten en oefeningen.

  12. 12

    Maakt optimaal gebruik van het aanwezig vaarwater.

    Maakt gebruik waar mogelijk van zoveel mogelijk verschillende soorten vaarwater, zorgt dat de opdrachten daar logisch op natuurlijke wijze bij aansluiten en maakt efficiënt gebruik van de gevaren meters.

  13. 13

    Verdeelt beschikbare tijd evenredig over de examenkandidaten.

    De kandidaat zorgt ervoor dat (alle) kandidaten evenveel vaartijd krijgen en de examenkandidaat weet zijn examen af te ronden binnen de daarvoor gestelde tijd (1 uur per examenkandidaat).

  14. 14

    Observeert en beoordeelt de examenkandidaat aan de hand van de criteria van het examen.

    De examenkandidaat wordt uitsluitend beoordeeld op de vastgestelde diploma-eisen en voorafgaand aan de toets besproken. De examenkandidaat krijgt voldoende mogelijkheden om de vaardigheden te laten zien en de ruimte om hun acties te motiveren.

Werkproces 4.8.4 Evalueert de afname van de vaardigheidstoetsen en reflecteert op eigen handelen

Resultaat
De examenkandidaat is geïnformeerd over de uitslag. De evaluatie levert input op voor het vervolg. Registreert en evalueert de uitvoering van het jaarplan.

Praktijk3 beoordelingscriteria
  1. 1

    Bespreekt de uitslag van de toets met de examenkandidaat.

    De examenkandidaat krijgt na afloop van het examen zonder omzwervingen het eindoordeel en krijgt uitgelegd waarop dit eindoordeel is gebaseerd. De kandidaat weet in het kort per examenkandidaat aan te geven waarop zijn oordeel is gebaseerd.

  2. 2

    Geeft verwerkingstijd en geeft trainingsadvies.

    De examenkandidaten krijgen de kans om het resultaat van de uitslag te verwerken en geeft een toepasselijk advies waarmee ze verder zou kunnen dan wel moeten.

  3. 3

    Analyseert de resultaten van de toets en neemt op basis hiervan adequate maatregelen.

    Na afloop wordt de toets procesmatig en inhoudelijk geëvalueerd wat resulteert in aandachtspunten voor een eventueel volgend toetsmoment.

Houding en gedrag

Resultaat
Waarden en normen worden gerespecteerd, en er wordt sportief en respectvol gedrag vertoond.

Praktijk5 beoordelingscriteria
  1. 1

    Gaat correct om met alle betrokkenen.

    Gebruikt omgangsvormen en gedragstandaarden die passen bij de betrokkenen. Behandelt iedereen gelijk en trekt niemand voor. Zorgt voor eenheid binnen de groep.

  2. 2

    Komt afspraken na.

    Maakt reële afspraken en komt deze na.

  3. 3

    Houdt zich aan de beroepscode.

    Kent de gedragscode voor trainers/coaches en begeleiders van Centrum Veilige Sport Nederland, houdt zich daaraan en creëert voor de cursisten een zo veilig mogelijke omgeving waar iedereen zichzelf mag zijn, op zijn of haar eigen niveau.

  4. 4

    Staat model voor correct gedrag op en rond sport- en/of opleidingslocatie.

    Is zich ervan bewust vertegenwoordiger te zijn van opleidingslocatie en de georganiseerde sport en levert de daarbij behorende kwaliteit. Is zich tevens bewust van de voorbeeldfunctie en gedraagt zich daar naar. Draagt de sport op positieve wijze uit.

  5. 5

    Gaat vertrouwelijk om met persoonlijke informatie.

    Is zich bewust van zijn vertrouwenspositie. Verstrekt persoonlijke informatie van sportkader niet zonder overleg aan derden.

Zelfreflectie en -ontwikkeling

Resultaat
De zelfreflectie leidt tot inzicht in de eigen bekwaamheden en ontwikkelpunten bij het afnemen van vaardigheidstoetsen. De sterke- en ontwikkelpunten leiden tot zelfinzicht en worden zo nodig toegepast in een volgende situatie.

Praktijk5 beoordelingscriteria
  1. 1

    Reflecteert op het eigen handelen.

    Is kritisch en reflecterend ten aanzien van eigen handelen en omschrijft de eigen bekwaamheden en ontwikkelpunten. Stelt zo nodig een plan op ter verbetering en is zodoende in staat aan te geven waar progressie kan worden behaald.

  2. 2

    Vraagt feedback.

    Vraagt van examenkandidaten, begeleiders, collegae, etc. feedback op het eigen handelen.

  3. 3

    Bepaalt en verwoordt eigen leerbehoeften.

    Omschrijft uit eigen reflectie en feedback leerdoelen voor zichzelf en past deze toe in een persoonlijk ontwikkelingsplan. Geeft aan waar het meeste te leren is en hoe hier best invulling aan geven kan worden.

  4. 4

    Zoekt leersituaties op en legt leermomenten vast.

    Is actief in het zoeken naar nieuwe leerdoelen die kunnen bijdragen bij het beter functioneren binnen de opleidingslocatie. Beschrijft de leerdoelen, de leermomenten en reflecteert hierop.

  5. 5

    Verwerft kennis en raadpleegt kennisbronnen/ deskundigen.

    Neemt een actieve houding aan bij het verhogen van het eigen kennisniveau. Kiest hiervoor zelf leerdoelen die het functioneren binnen de opleidingslocatie kan ondersteunen. Raadpleegt waar nodig op basis van een eigen leervraag deskundigen die kunnen bijdragen bij het verbeteren van het eigen functioneren.